Montessori-onderwijs

Uitgangspunten van het Montessori-onderwijs 

Het onderwijs moet worden afgestemd op de gevoelige perioden van het kind.

Dit is het belangrijkste uitgangspunt van het Montessori-onderwijs; Het kind staat centraal en ontwikkelt zich volgens bepaalde fasen. Het onderwijs moet op deze fasen worden afgestemd. Wanneer men de school op juiste wijze inricht voor de gevoelige perioden van het kind, dan doet het kind zelf de rest. Het kind zal dan actief zijn om zich te ontwikkelen en om te leren. 

De voorbereide omgeving

De opvoeder helpt het kind door de omgeving voor te bereiden. Hij/zij probeert aan de behoefte van het kind tegemoet te komen. Bij begeleiden hoort ook het verschaffen van de middelen waarmee het kind zelf actief bezig kan zijn. De belangrijkste onderdelen waaruit deze omgeving bestaat zijn:

De groep waartoe het kind behoort, de directe omgeving (de school), de wijdere omgeving (natuur, dorp, stad), het didactisch (Montessori-) materiaal en de Montessori-leidster 

De omgeving moet aan een aantal eisen voldoen: 

  • Ze moet aangepast zijn aan de kinderlijke behoeften 
  • Stimulerend zijn voor het kind 
  • Voldoende bewegingsruimte bevatten 
  • Esthetisch ingericht zijn 
  • Het kind bescherming bieden 
  • Geordend en gestructureerd zijn. 

Vrijheid door zelfdiscipline

De vrijheid zoals Montessori die opvat betekent niet: Doen wat je wilt, maar ‘vrij doen wat goed is’. De kinderen krijgen de vrijheid om zelf keuzen te maken, zelf initiatief tot leren te nemen en zelf actief te zijn. Deze vrijheid wordt beperkt door de vrijheid van anderen. Een kind moet leren zich vrij en zinvol te bewegen in een geordend milieu. Alleen dan zal een kind zich als een totale persoonlijkheid ontwikkelen. Deze zelfdiscipline maakt ook straffen en beloningen overbodig. 

Visie op kind en opvoeding 

Opvoeding

Het kernwoord t.a.v. opvoeding is ‘zelfopvoeding’. Opvoeden is behulpzaam zijn bij de psychologische ontwikkeling van het kind. Men moet dus in de eerste plaats de kinderen helpen om zichzelf op te voeden. Het kind staat centraal in het opvoedingsproces. Opvoeding en onderwijs moeten onderkennen wat de behoeften van een kind op een gegeven moment zijn en daarop inspelen, door de juiste omgeving en materialen te bieden.

Volgens Montessori hebben kinderen zelf de mogelijkheid om tot zelfstandigheid te komen. Ze hebben hierbij begeleiding van een opvoeder nodig, geen leiding. Opvoeding is dus eigenlijk zelfopvoeding. De vraag die het kind aan zijn opvoeder stelt is: “Help mij het zelf te doen”. 

Er is hier sprake van een andere verhouding tussen het kind en de volwassene: De volwassene moet alles in het werk stellen om het kind te begrijpen en het geen belemmeringen in de weg leggen. Het kind moet niet opgevoed of gevormd worden naar het beeld van de volwassene, maar geholpen worden om zichzelf te vormen. De opvoeding van kinderen moet hen in staat stellen zich te ontwikkelen tot vrije, zelfstandige en sociale mensen die een betere samenleving tot stand kunnen brengen. 

Het kind

Een kind is volgens haar actief en niet passief. Het is nieuwsgierig, leergierig en heeft van nature een drang om te weten. Een kind wordt niet uitsluitend door de omgeving gevormd: ontwikkeling is een proces waaraan het kind zelf een onvervangbare bijdrage levert. Tijdens de eerste levensjaren is er een enorme energie en actiedrang in het kind aanwezig. Het kind wordt vanuit zichzelf gemotiveerd om zich te ontwikkelen en om te leren. Dat uit zich in een spontane belangstelling van kinderen. De onderwerpen van die belangstelling verschillen per kind en veranderen met verloop van een aantal fasen: Gevoelige perioden. Dit betekent dat kinderen kortere of langere perioden ontvankelijk zijn voor bepaalde leergebieden of indrukken uit de omgeving. Tijdens zo’n gevoelige periode gaat een kind uit eigen beweging op zoek naar prikkels die hem doen groeien op het gebied waar hij/zij gevoelig voor is. Het onderwijs is daarom afgestemd op deze ontwikkelingsfasen. Verder zegt Montessori nog over kinderen dat ze wezenlijk verschillen van volwassenen, niet slechts kwantitatief, maar ook kwalitatief. Ze zijn geen miniatuur-volwassenen, maar worden gekenmerkt door geheel eigen behoeften en activiteiten. De bevrediging daarvan gedurende de allereerste levensfase is van groot belang voor de latere ontwikkeling. 

De gevoelige perioden

Het gaat hier om drie fasen, die elk weer opgedeeld zijn in twee subfasen: 

0-6 jaar: 

  • Van 0 tot 3 jaar: “Het geestelijk embryo”. Een periode waarin het kind zichzelf afmaakt door op eigen kracht spraak te verwerven en zich motorisch te vormen. 
  • Van 3 tot 6 jaar: “De bouwer van de mens”. Het kind beschikt nu over alle functies en is rijp voor de oefening ervan. 

6-12 jaar: 

  • Van 6 tot 9 jaar: “De onderzoeker / verkenner ”. Het kind toont een grote belangstelling voor de wereld in deze periode. 
  • Van 9 tot 12 jaar: “De wetenschapper”. Het kind gaat verbanden zien tussen feiten waarmee het in aanraking komt en bouwt zo een wereldbeeld op. 

12-18 jaar: 

  • Van 12 tot 15 jaar: “De organisator”
  • Van 15 tot 18 jaar: “De betrokkene” Het kind richt zich op de bescherming in en het begrijpen van de maatschappij. 

Deze ontwikkelingsfasen verlopen weliswaar volgens een vast patroon, maar zijn wat betreft tempo individueel bepaald. Het ontwikkelingsproces is voor ieder kind uniek.

Montessori scholen

OMBS De Wielerbaan
OMBS De Wielerbaan
Batshoek 5
7546LC ENSCHEDE,
OMBS Het Zeggelt
OMBS Het Zeggelt
Dr. Benthemstraat 14
7514CM ENSCHEDE,